Foto's - Stubel - SdJ 01/09/2007
Column
De laatste man. De laatste om de aanval af te wenden. Eenzaam wacht hij de wilde hordes op.
Een reus. De rug lichtjes gekromd.
Zijn medestanders zijn gevallen. Geslacht.
Hij is de laatste.
Hij weet: hij is alleen. Als hij knielt, valt de omwalling. Als hij breekt, valt de burcht.
Hij weet: de hordes zijn talrijk. De dag lang. De laatste man zál vallen. En wanneer hij dat doet, heeft hij gefaald. En sterft de koning.
De libero is bijna uit het moderne voetbal verdwenen. Met reden. Een libero vertraagt het spel en geeft teveel ruimte aan de tegenstander. De moderne centrale verdediger is de eerste aanvaller. Hij duikt al eens plotsklaps op vóór het vijandige doel. Hij geeft een splijtende pas over 40 meter. Op de stropdas. Hoewel moderne voetballers nog nauwelijks stropdassen dragen. Zelfs niet op een sponsorfeestje. Liever omarmen ze de hiphop: broek op de knieën, mutsje op het hoofd. En wandelen is nooit meer gewoon wandelen. Wandelen is op en neer. Blank wil zwart zijn. Maar mist de klasse, mist de stijl.
In het amateurvoetbal leeft de libero verder. Meestal is het de logste, de minst wendbare van het team. De oudste speler die nog steeds iedere week een reden zoekt om het huis uit te zijn. Lopen is niet zijn sterkte. Hij rekent altijd, altijd, op zijn positiespel. Zijn taak is duidelijk: de bal wegtrappen. Met welk lichaamsdeel is niet belangrijk.
Maar als hij mist... als zijn harkerige rechtervoet de bal mist dan is er niemand meer om die steek op te rapen. En dat, lezer, is de echte reden voor het verdwijnen van de libero. Eén fout en hij wordt neergesabeld. Hij is de eerste teamspeler maar het team staat met geslepen tanden klaar om hem aan flarden te scheuren. De libero torst een zware last. En maar weinig technisch beperkte, ietwat obese, 40-plussers kunnen die last dragen. ‘De laatste man’ is puur drama. Levende poëzie.